Van pis en kak: over toiletcultuur en taboes

Wie zich beroepshalve bezighoudt met composttoiletten, zoals Marc dat doet binnen Villa VanZelf, wordt onvermijdelijk geconfronteerd met het taboe op alles wat te maken heeft met ontlasting.

Het blijkt een heikel thema. Sommige deelnemers aan een Flush Free workshop vertonen enige onwennigheid om het zonder schroom over hun lichaamsproducten te hebben. Ontlasting is misschien wel meer taboe dan seks. Kan je het met een bijzonder hechte vriend of vriendin nog wel eens over je seksleven hebben, over wat we zoal dagelijks achterlaten op het toilet zal bijna niemand spontaan een conversatie starten. Ontlasting, en feces in het bijzonder, wordt in zowat alle culturen beschouwd als vuil en omgeven met strikte regels over wat kan en niet kan. Die vuilheid is relatief: wat in de ene cultuur vuil wordt gevonden, hoeft het niet per se te zijn in een andere. In culturen waar men zich in de vrije natuur ontlast, wordt dit soms als veel schoner beschouwd dan wat we in het westen doen: de ontlasting in de intieme sfeer van ons huis halen. Wij westerlingen hebben dan weer moeite om tijdens een boswandeling onze behoefte in de struikjes te doen wanneer de nood hoog is. Bij sommige stammen wordt het normaal bevonden om zich samen te ontlasten op een gemeenschappelijke plaats, wij zouden het niet in ons hoofd halen. Er zijn culturen waar het als onbehoorlijk wordt beschouwd om aan te kondigen dat je naar het toilet gaat, je hoort je onopvallend te verwijderen, zeker in het bijzijn van gerespecteerde ouderen. Zo worden sanitaire gebruiken een hefboom om zich te distantiëren van anderen – hun gewoonten zijn ‘vies’ of ongepast, de onze zijn ‘schoon’ en beleefd.

Ontlasting heeft heel wat dubbelzinnigs in zich. Enerzijds wordt het als vuil bestempeld, anderzijds geldt een goede ontlasting als teken van gezondheid en kracht. Enerzijds is het taboe om erover te praten, anderzijds oefent het aantrekkingskracht uit en kan je het als teken van rebellie zien om het er toch over te hebben, bijvoorbeeld via moppen of graffiti. Aan de ene kant roept het onze walging op, aan de andere kant zijn we allemaal geneigd met enig welgevallen onze drol in de pot te aanschouwen. Terwijl krachttermen en scheldwoorden in alle talen geïnspireerd zijn door  ontlasting is het ook niet ongebruikelijk dat geliefden elkaar ‘scheetje’ of ‘drolletje’ noemen. Alsof we te kennen willen geven dat de ander ons haast even nabij is als onze ontlasting. Enerzijds vergt naar toilet gaan loslaten, anderzijds kan je een probleemloze stoelgang beschouwen als een teken van controle en beheersing. Gecontroleerde ontlasting is bovendien een definiërend element van ons mens zijn. Wie nog niet zindelijk of niet meer zindelijk is, lijkt anders mens dan wie dat wel is: het jonge kind is nog niet helemaal mens, de bejaarde die geen plas of stoelgang meer kan ophouden, verliest iets van zijn menselijkheid. Verlies van controle op dit vlak wordt ook geassocieerd met krankzinnigheid: denk maar aan het beeld van de gek die zijn eigen kak op de muren smeert. Ontlasting kan zelfs doelbewust gebruikt worden om anderen te ontmenselijken. In de concentratiekampen werd gevangenen regelmatig belet de latrines te gebruiken tot ze het niet meer hielden, waarna ze fysiek werden bestraft omdat ze zich hadden bevuild.

Geconfronteerd worden met de lichaamsproducten van een ander vinden we meestal weerzinwekkend. Het doorbreekt de grens die we in stand willen houden. De kakluier van onze baby verschonen, dat kunnen we nog wel net hebben, maar het geurtje van de voorganger moeten opsnuiven in een openbaar toilet, dat is er over. Zijn onze sanitaire geluiden en/of geurtjes voor een buitenstaander waarneembaar, dan kunnen we schaamte ervaren. Om al die redenen is er ook weinig tot geen antropologisch onderzoek gedaan naar sanitaire gewoonten van volkeren. Het blijft een beetje een blinde vlek.

In de westerse cultuur komt de geschiedenis van de toiletcultuur neer op de evolutie naar alsmaar meer privacy en alsmaar meer middeltjes om die absolute discretie te garanderen. Vanaf de 16e eeuw duiken in het Nederlands woorden op die het besloten karakter van het toilet weergeven: heimelijk, privaat, heimelijkheid. sekreet, huisje, bestekamer, achteraf en kabinet. En het blijft niet beperkt tot het hokje dat op slot kan en volledig dicht is van vloer tot plafond, ook de luchtverfrissers en geurverdrijvers doen hun intrede. Het summum van toiletluxe is het Japanse toilet, dat voorzien is van talloze knopjes. Deze bedienen de ingebouwde sproeier met temperatuurregeling, de sfeerverlichting en de airco tot zelfs het muziekje dat je kan afspelen om elk toiletgeluid te dempen.

Waar obsessie heerst met hygiëne en privacy kan ook angst opduiken. Irrationele angst voor vreemde en/of openbare wc’s wordt ‘latrinevrees’ genoemd en met een tamelijk onmogelijk woord ‘xenolavabofobie’. Blijkbaar een veel voorkomend fenomeen in Amerika. Nogal wat Amerikanen zijn behoorlijk panisch over hun toilet-privacy. Zo worden hotels waarin de gasten de badkamer of het toilet met andere gasten moeten delen, aangeduid met ‘European Style’, een eufemisme voor ‘barbaarse toestanden’. Bij de gemiddelde Amerikaan gaan dan de nodige alarmbellen af, zo blijkt.

Doordat het toilet zich heeft ontwikkeld tot een ruimte waar men zich ten alle tijde kan terugtrekken, kan het ook heel andere functies gaan vervullen. In het toilet kan je ongezien ‘verboden’ dingen doen: roken in een openbaar gebouw, drugs gebruiken, masturberen. Niet toevallig zijn openbare toiletten de plekken waar je de grootste hoeveelheid graffiti – meest met seksuele of scatologische inhoud – aantreft. Een toilet kan je verder ook gebruiken voor dingen waarbij je niet wil worden gestoord, zoals lezen, of dingen die in publiek niet zo geaccepteerd zijn zoals huilen. Een – voor één keer niet obsceen – opschrift in een toilet in Amsterdam luidde: “The toilet solves all your problems”. Misschien wat overdreven, maar ook met een kern van waarheid. Zwartrijders in de trein gaan op het toilet zitten en misdadigers of geheime minnaars in films verstoppen zich in het toilet of ontsnappen langs een toiletraampje.

Tot slot vormt onze toiletcultuur ook een manier om ons te onderscheiden van de dieren. Ontlasting behoort tot onze dierlijke functies, maar wij hebben ze door onze cultuur vermenselijkt, zoals nog wel meer behoeften die binnen onze dierlijke aard vallen. Als het dier zich kenmerkt door gulzigheid, gaat de mens vasten als teken van beschaving beschouwen. Als dieren als seksueel promiscue worden gezien, dan is monogamie ons menselijk teken van beschaafd zijn. Als het dier zijn uitwerpselen overal deponeert, dan maakt het achterlaten ervan op speciale, verborgen plaatsen ons helemaal mens. Met uitwerpselen van dieren wordt soms ook ‘wat anders gedaan’. Ze worden gebruikt als meststof, bouwmateriaal en brandstof. In sommige Afrikaanse landen wordt elke koeienvlaai met zorg verzameld, gedroogd en opgestapeld. Om de huizen treft men muurtjes aan die uit gedroogde koeienvlaaien blijken te bestaan. En de lekkerste lokale pannenkoeken worden op koeienstront gebakken. Bodems worden verrijkt met dierenmest. Hoewel we voor al die toepassingen ook perfect menselijke mest zouden kunnen gebruiken, voelen we daar spontane barrières bij.

Het mag intussen duidelijk zijn: onze dagelijkse plas en drol zijn omgeven met taboe, met cultureel bepaalde regels, verboden en gebruiken, en bovendien met ambivalente gevoelens van plezier en genot tot angst en schaamte. Geen wonder dus dat kiezen voor een composttoilet best wel een uitdaging kan zijn. Zonder dat we het meteen beseffen, raken we aan sterke normen en aan dat hele complexe kluwen. Ook onze persoonlijke geschiedenis en onze vroegste ervaringen in het gezin van herkomst spelen mee. Toch hoeft dat niet af te schrikken: de composttoiletbezitter kan zich ook met recht en reden en enige trots een culturele wegbereider voelen, iemand die verandering belichaamt voor een gezondere toekomst.

Voor dit artikel werd als bron gebruikt:

‘Poep en omstreken: over scatologie, cultuur en welbevinden’ van cultureel antropoloog Sjaak van der Geest, gepubliceerd in Medische Antropologie 10 (1), 1998.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *