Nacht en donker herwaarderen

Maak je wel eens een wandeling in het donker? Erger je je wanneer de verlichting langs de snelweg uit is? Is het in jouw slaapkamer helemaal donker wanneer je slaapt? Ben je ‘s winters geneigd om op veel plekken in je huis licht aan te steken? Kijk je geregeld naar de nachthemel en valt het je op dat er in onze streken nog maar zo weinig sterren te zien vallen?

 

Je antwoorden op deze vragen geven een idee van je relatie tot duisternis. Feit is dat de meesten van ons geen actieve – en al helemaal geen positieve – relatie tot duisternis hebben. Donker ervaren we over het algemeen negatief, namelijk als de afwezigheid van licht. En licht is een voorwaarde voor onze onverzadigbare activiteitsdrang. We zijn het gewend om voortdurend impulsen te ontvangen onder de vorm van beeld en geluid, zodat het plots wel erg saai, of zelfs bedreigend, aanvoelt wanneer de vertrouwde prikkels wegvallen.

Dat het miljoenen jaren lang overdag licht was en ‘s nachts donker, daar hebben we intussen geen voeling meer mee. In de tijd voor gaslicht en elektrisch licht werd de nacht ook anders beleefd. Het donker hield potentieel allerlei risico’s in. ‘s Avonds gingen de grendels op de deuren, want behalve vermeende gevaren zoals bezoek van geesten of de duivel waren er ook heel reële gevaren, zoals inbrekers, rovers of brand. Was je bij slecht weer in het donker nog buiten dan kon je van de weg af raken, je been breken in een kuil of per ongeluk in een rivier tuimelen. Vooral als je een glaasje te veel op had. Dat laatste brengt ons dan weer bij een ander aspect van nacht en donker in het pre-elektrische tijdperk, namelijk dat ze een vrijplaats boden voor losser gedrag, intimiteit en privacy. ‘s Nachts was er tijd om verhalen te vertellen, te drinken, te kaarten, de liefde te bedrijven. Vrouwen bleven soms in groepjes wakker om te spinnen en te praten. Als de dag meer te maken had met plicht en schone schijn, dan was de nacht het moment waarop de maskers afvielen en echtheid aan de oppervlakte kwam. Naar verluidt hielden velen er ook een ander slaappatroon op na dan nu. Er werd geslapen in twee fases met daartussenin een korte periode van waken waarin er plaats was voor alles wat overdag niet paste. 

Die beleving van donker en nacht wisselend tussen angst en vrijheidsdrang kennen we nu niet meer, hoewel we er nog echo’s van kunnen voelen. Misschien heb je al wel eens een gevoel van grotere creativiteit of mogelijkheden ervaren in de nacht. Iedereen kent het verschijnsel dat zorgen, twijfels en oud verdriet extra toeslaan wanneer je in de kleine uurtjes wakker ligt. Of dat je plots een bevrijdend inzicht invalt. Sommigen pleiten ervoor om die functies van de duisternis te behouden of terug te vinden, omdat ze wezenlijk deel uitmaken van ons mens zijn en we ze nodig hebben voor heling en transformatie.

Dan is het behoorlijk ontnuchterend om te bedenken dat openbare verlichting elk jaar nog met enkele procenten blijft toenemen. En voor de mens vallen de voordelen van kunstlicht nog wel af te wegen tegen de nadelen, maar voor dieren is dat al een stuk moeilijker. Zij kunnen het perfect zonder stellen en ondervinden vooral hinderlijke effecten. Nachtvlinders worden bijvoorbeeld vaak door licht aangetrokken en blijven er rond cirkelen tot ze uitgeput raken. De aanmaak van lokstoffen door vrouwelijke nachtvlinders raakt verstoord en in het licht paren ze minder vaak.

Het gedrag en de timing van zangvogels verandert ook door kunstlicht in de buurt. Ze slapen lichter, zijn ‘s ochtends uren eerder actief en gaan ‘s avonds langer door. Ze leggen vroeger in het seizoen hun eerste ei, waardoor de jongen mogelijk uitkomen op een moment dat er nog te weinig voedsel voor ze te vinden is. Door sommige onderzoekers wordt een link gelegd tussen verlies van soorten – met name insecten – en lichtvervuiling.

Vleermuizen hebben nachtelijk donker nodig om ongestoord op insecten te kunnen jagen. Ze hebben daarbij weinig concurrentie van andere diersoorten en ze blijven zelf ongezien door roofdieren. Tenminste, als kunstlicht het donker niet verstoort. Vooral de zeldzamere, langzaam vliegende soorten vleermuizen zijn bang voor bijvoorbeeld uilen, en juist deze vleermuizen wagen zich niet in het licht. Andere soorten trekken zich dan weer weinig aan van licht of lijken er eerder hun voordeel mee te doen: ze maken handig gebruik van lantaarnpalen en vangen moeiteloos de door het licht aangetrokken insecten.

Nog een laatste effect van kunstlicht, in combinatie met vervuiling: we verliezen er het zicht door op de sterren. Volgens astronoom Bob Berman moeten er  minstens 450 sterren te zien zijn om een gevoel van ontzag bij ons op te wekken. Heel wat anders dan het handjevol dat we in onze contreien doorgaans kunnen waarnemen. Volgens ‘The New World Atlas of Artificial Night Sky Brightness’ leeft maar liefst 99 % van de Europeanen onder een door licht vervuilde hemel. Fotograaf Thierry Cohen creëert in zijn reeks ‘Darkened Cities’ (zie foto hoger: Parijs) feërieke beelden van moderne steden waarboven hij nachthemels monteert die hij op plekken zonder lichtvervuiling – in woestijnen of natuurreservaten – heeft gefotografeerd. Zo laat hij indringend aanvoelen wat we zijn kwijtgeraakt door ons moderne leven. 

Neemt niet weg dat we natuurlijk ook kunnen herverbinden met de waarde van nacht en duisternis. Al kunnen we minder sterren zien, toch kunnen we af en toe bewust plekken opzoeken zonder straatverlichting en ervaren welk effect ze op ons hebben. Of in plaats van te wachten op de jaarlijkse Nacht van de Duisternis af en toe zelf besluiten om eens een avond/nacht  geen gebruik te maken van kunstlicht.

Bronnen:

Doen!

Laat je inspireren in het donkere Kapucijnenbos in Tervuren tijdens de Duisterniswandeling op 4 december 2021, 18u-19.30u. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.