Tine Hens bracht eind 2025 ‘Archief van mogelijk verlies’ uit, over de ecologische verarming van onze dichtste leefomgeving en wat we daardoor dreigen te verliezen. Potentieel een thema waar we met een grote boog omheen lopen, wegens te deprimerend. Toch krijg je geen gevoel van zwaarte wanneer je met haar praat. Tine Hens documenteert en vertelt, gaat verdriet en rouw niet uit de weg, maar lijkt tegelijk een soort lichtheid in zich te dragen. Af en toe welt er een verfrissende lach op.
Hoe is ‘Archief van mogelijk verlies’ ontstaan?
Ik wist al heel lang dat ik wou schrijven over al het leven en de rijkdom om ons heen die we aan het verliezen zijn, en hoe dat ons verarmt als soort, maar ik heb jaren nodig gehad om daarvoor een taal te vinden. Ik heb een lange zoektocht afgelegd om het verhaal zo te kunnen vertellen dat het hopelijk bij zoveel mogelijk mensen landt.
Het thema was er al voor je je andere boeken schreef?
Ja, eigenlijk wel, ik denk dat dit een oerthema is, maar het was voor mij zo pijnlijk dat het lang geduurd heeft voor ik ermee aan de slag kon. Ik herinner me dat ik toen ik ‘Het klein verzet’ (2014) schreef het verdriet over verlies van natuur zo moeilijk kon hanteren dat ik er op dat moment nog niet over kon schrijven. Maar gaandeweg is het project gerijpt. Ik besloot dat ik het behalve over verlies ook wilde hebben over ons geheugenverlies, wat we de shifting baseline noemen: het feit dat elke generatie de eigen waarneming als standaard neemt voor wat normaal zou zijn. Maar wat als die standaard al een verarmde standaard is, zoals nu het geval is, of als dat zelfs in mijn jeugd al het geval was? Zo krijg je het fenomeen van een continue verarming die we niet als problematisch ervaren omdat ze ons de normaliteit lijkt. Een heel interessant, maar triest gegeven. Ik wist al snel waar ik het over wilde hebben, bijvoorbeeld over sneeuw, of over het verlies van de nacht. Ik mis oprecht heel erg de nacht, we verlichten zo veel.
Mijn tweede uitgangspunt was: als het gaat over planten en dieren wil ik heel gewone, herkenbare soorten, waar de meeste mensen nog een herinnering of beeld bij hebben. Deels omwille van de herkenbaarheid, maar ook om de tragedie tastbaar te maken. Het gaat echt niet alleen om één of andere zeldzame pinguïn. Nee, het zijn net die traditionele en zo vertrouwde soorten – kieviten, leeuweriken, korenbloemen … – die het moeilijk hebben. Wat ooit zo gewoon was, is buitengewoon aan het worden.
Wat wil je bereiken met dit boek?
Ik heb echt gezocht naar een manier om mensen te raken. In de hoop dat de ogen letterlijk opengaan. Dat mensen echt weer gaan kijken naar de wereld om ons heen. Het is een hele denkoefening geweest: hoe bouwen we dat verhaal op om zo veel mogelijk impact te hebben, want het is niet alleen een boek. Er zijn de houtsnedes van Jan De Kinder, er hoort een tentoonstelling bij het boek, én Ellen Jacobs maakte een compositie, vanuit het idee: hoe fantastisch is het als je niet alleen kan lezen, maar ook luisteren en je daarin onderdompelen.
Stemmen de reacties die je krijgt overeen met wat je beoogde?
Het is natuurlijk zo dat mensen die niet geraakt zijn me geen mail gaan sturen: ik heb je boek gelezen en ik ben totaal niet geraakt (lacht). Wat ik heel bijzonder vind, is dat ik voor het eerst brieven krijg, dus geen mails, maar echt fysieke brieven die in mijn brievenbus vallen. Dat raakt me.
Bij de boekvoorstellingen merk ik ook dat de manier waarop we alles in scène zetten in een zaal werkt. De reacties die ik krijg, gaan in de richting die ik hoopte. Mensen zeggen soms dingen als: ‘Het is triest, maar ook wel hoopvol’. Ik zie daar iets van mijn eigen worsteling in terug. Zoals ik net zei, was ik lange tijd ook niet klaar om dat soort pijn of verdriet te doorgronden. We hebben zo veel angst voor verdriet in onze samenleving, om daar in te gaan en het te voelen. Terwijl het zo’n fundamentele emotie is die bij ons leven hoort. Het is veelzeggend dat net dat zo hard wordt weggeduwd.
Hoe heb je jezelf voor die gevoelens opengesteld?
Ik heb het op een bepaald moment toegelaten. Ik heb er heel intens mee geleefd voor ik aan mijn boek begon. Dat was in de zomer van 2021, alweer zo’n bloedhete, gortdroge zomer. We maakten een fietstocht van Wenen naar Boedapest en toen we aankwamen was het bloedheet. Er hing een zinderende hitte. We liepen door een park waar alle bomen hun bladeren aan het verliezen waren, in volle zomer hoorde je het gras en de gevallen, verschrompelde bladeren onder je voeten breken. Ik vond dat zo verschrikkelijk, ik wilde er echt weg. Ik voelde een diep verdriet, bijna paniek. Waar zijn we mee bezig? Het is toen dat ik het boek echt heb vastgepakt. Het boeiende is dat door dat te doen er op één of andere manier iets veranderd is. Ik voel de pijn nog altijd, maar de paniek is veel minder. Daar is ongetwijfeld onderzoek naar gedaan, hoe zulke gevoelens werken, maar ik merk dat het mij niet langer lam slaat.
Omdat je er iets concreets mee gedaan hebt?
Misschien wel, ja. Tegelijk blijft het voor mij nog altijd heel onwennig terrein. Ik kom uit een gezin van rationaliteit. Gesprekken voeren over rouw en verlies is geen evidentie voor mij.
De emoties blijven me ook overvallen. Bij het boek hoort een expo bestaande uit zeven sokkels. Die stellen klimaatslachtoffers voor, bomen die gestorven zijn. Alleen al die bomen gaan halen was enorm confronterend. Een zomereik gestorven door verzilting in Diksmuide, na de overstromingen in 2024. Een ontwortelde boom die vol afval lag na de overstromingen van de Vesder in 2021.
Maar het meest confronterende vond ik om smeltwater van gletsjers te verzamelen om een gletsjermonument te maken voor de expo. Dat hebben we afgelopen zomer gedaan. De smelt is waanzinnig, hele watervallen van smeltwater storten naar beneden. Mijn man Geert was vijf jaar geleden naar één van die gletsjers geweest en had foto’s gemaakt. Waar toen de gletsjer lag, was er nu al een smeltmeer. Dat is zo schokkend. Op zulke momenten kom je uit bij het belang van rituelen, ook al zijn dat verzonnen rituelen en was het alleen iets van Geert en mij dat we daar waren. Met water meenemen los je op zich niets op, maar het hielp om het verdriet te stelpen op dat moment. We gingen ook naar de Rhône-gletsjer, een plek waar we zo’n 20 jaar geleden waren met onze zoon die toen een baby was. Ze leggen daar allemaal doeken, dat is zo’n schrijnend, pijnlijk beeld, het lijkt wel een vluchtelingenkamp van ijsschotsen.
De meeste mensen kiezen ervoor om dat wat op afstand te houden, maar jij zoekt het net op.
Het is niet zo dat ik in het weekend denk: ‘Waar kan ik nog eens een puinhoop gaan bezoeken?’. Maar voor dit project ben ik wel bewust gaan kijken om getuigenis te kunnen afleggen. Ik heb geschiedenis gestudeerd, dus het zal wel in mij zitten om dingen te willen bijhouden en documenteren. En dit gaat groter klinken dan ik het bedoel, maar stel dat je een geschiedenis wil schrijven over een bepaalde periode, dan zijn documenten die getuigenis afleggen belangrijk om te hebben. Stel dat we geen uitdrukking geven aan de pijn die we voelen bij wat er aan het gebeuren is, dan denken historici over 100 jaar misschien: ‘Die deden maar wat, ze stonden er niet bij stil.’ Dan wil ik toch even een voetnoot plaatsen van ‘Nee nee, wij gaven er echt wel om’.
Vastleggen dat die stemmen er ook waren?
Dat speelt natuurlijk mee, zonder mijn rol te willen opblazen. Je bent op deze wereld en wat ga je doen? Wegkijken en op het einde van je leven beseffen: ik heb eigenlijk de hele tijd weggekeken? Of ga je denken: ok, het is misschien een zware en hopeloze taak maar ik zal wel kunnen zeggen: ‘Dit is wat ik gedaan heb, wat ik geprobeerd heb, voor wat het waard is.’
Voor jezelf heb jij een rol gevonden. Heel veel mensen voelen zich machteloos en vinden geen rol.
Ken je het begrip ‘aangeleerde machteloosheid’? Ik vind dat een hele goeie. Het zit inherent in onze samenleving. De hele tijd wordt ons aangepraat dat we geen verschil kunnen maken. Dat wij een soort zijn die zich alleen maar laat leiden door de eigen behoeftes, alleen maar geïnteresseerd is in consumeren. Sorry, maar dat is gewoon niet zo. Ik denk dat het echt belangrijk is om daar tegenin te gaan, al is het maar door schijnbaar nutteloze zaken. Bijvoorbeeld door op allerlei manieren tegen een bepaald verwachtingspatroon in te gaan. We zitten in een systeem dat ons zo ontmenselijkt dat we ons verloren voelen. Dus denk ik dat alle stokken die je in de spaken van dat rad kan steken nodig zijn. Al is het door te zeggen: ‘Op deze manier ga ik niet werken, hier doe ik niet aan mee.’ Ik besef dat het moeilijke keuzes zijn, want je gaat in tegen een kapitalistisch systeem waar je tegelijk deel van blijft uitmaken.
Een ander element is gemeenschap. We moeten zoveel mogelijk in verbinding gaan, zowel met gelijkgestemden als niet-gelijkgestemden. En dat zie ik gebeuren, mensen zoeken elkaar wel op. Mijn vraag is vooral hoe we dat kunnen versterken, dat mensen samenkomen en zeggen: ‘Het is genoeg, hier stopt het voor mij, wat kunnen we doen?’.
Geeft dat jou hoop?
Ja dat geeft mij hoop. Ik kom uit drie jaar bezig zijn met die project en ik vind het mooi dat ik daardoor Ellen heb leren kennen, dat we dit samen hebben gedragen, dat Jan erbij is gekomen die zijn houtsnedes gemaakt heeft. En er ontstaan ook weer nieuwe dingen uit. Onlangs waren we in de bib van Genk waar ze met veel enthousiasme twee maanden lang met kinderen de natuur in willen gaan en daar boeken bij betrekken. Dan denk ik: mooi toch, je neemt daarin een hele gemeenschap mee. Mijn boek ‘Het klein verzet’ ging daarover, over de kracht van gemeenschap. Het mooie is dat tien jaar later, ook al bestaat niet elk van de initiatieven die ik in het boek beschreef nog, de ideeën wel stand houden. Bijvoorbeeld herstel in de hand werken, herstel van spullen en mensen en omgevingen. Dat groeit, maar de tegenmacht is enorm.
Het is heel gemakkelijk om je te laten meedrijven met het marktgebeuren en social media. Mijn stemming hangt ook af van moment tot moment. Wanneer iemand tegen me zegt: ‘Ja, maar er zijn toch al heel veel goeie dingen bezig’, dan ben ik de eerste om te reageren dat het helemaal niet voldoende is. Terwijl wanneer iemand heel pessimistisch is ik net geneigd ben om te zeggen: ‘Toch wel, je moet daar en daar naar kijken.’ Dus je schippert, het is nooit eenduidig, we zijn multiple personen en het gaat in vlagen. Maar ik begrijp de wanhoop wel. Onlangs bij een boekvoorstelling waren er veel jonge mensen aanwezig en iemand kwam tegen me zeggen: ‘Ik vind dat zo erg, dat ik niet eens weet hoe talrijk – het ging dan over de kieviten – die geweest zijn, dat ik me dat niet kan inbeelden.’ Daar werd ik stil van. De oudere generaties zouden zich als goeie voorouders moeten opstellen. Als je dat niet bent, beroof je heel veel ander leven van een toekomst, letterlijk, en van dromen.
Je hebt zelf ook kinderen.
Ja, ze zijn nu 19 en 20, ik heb ook twee stiefzonen van 24 en 26. Mijn kinderen kennen mijn bekommernis en mijn liefde voor de wereld. Soms is het wel grappig. Vorige winter was het aan het sneeuwen, mijn oudste zoon Leon kwam naar beneden gelopen en zei: ‘Nu ben je blij hè, mama’.
Of toen we een keer een ijsvogel spotten in onze tuin. Wij allemaal: ‘Whoaaaa een ijsvogel!’. De vorige vriendin van mijn zoon was toen net op bezoek en wist niet wat haar overkwam (lacht). Dat enthousiasme was voor mij een heel mooi cadeau, blijkbaar heb ik toch iets doorgegeven dan: de verwondering, het kijken, de liefde. We hebben ze vegetarisch opgevoed, maar het is niet dat ze in hun dagelijks leven zo diepgaand met natuur bezig zijn. Ik merk wel aan de gesprekken aan de keukentafel nu ze ouder zijn dat we politiek bewuste kinderen op de wereld hebben gezet. Ik moet het nog eens checken, maar ik denk niet dat we hen ermee overstelpt hebben.
Je out je in je boek ook als burgerlijk ongehoorzame activist. Een bewuste keuze?
Ja, omdat het een deel is van mijn leven. Dat hoofdstuk gaat over de vuurvliegjes en is geïnspireerd door het boek ‘Het voortleven van de vuurvliegjes’ van Georges Didi-Huberman. Hij beschrijft ze als sprankels verzet en zegt dat het heel belangrijk is in een wereld die duister dreigt te worden dat er vuurvliegjes zijn. Ik vond dat zo’n mooi beeld dat ik van daaruit ben beginnen werken. Zo kreeg ik het idee om het in dat hoofdstuk over verzet te hebben. Activisten kan je beschouwen als de vuurvliegjes van onze tijd. Het lag voor de hand dat ik dan ook wat over mezelf ging vertellen.
Voel je je soms schuldig?
Ja, alle dagen (lacht hartelijk). Ik denk de hele tijd: ‘Oei, ik heb die petitie niet getekend. Oei, ik ben met een bestelwagen op fossiele brandstof de expo over mijn boek gaan opzetten. Hoe kan ik weten of de impact die ik heb met mijn expo de vernietiging die ik heb veroorzaakt met mijn bestelwagen wel in balans brengt?’ Het houdt me voortdurend bezig. Anderzijds is het zo dat het begrip ecologische voetafdruk door de fossiele industrie is uitgevonden. We weten wie dit probleem veroorzaakt heeft en dat het een collectieve verantwoordelijkheid is. Het is ook aan de 100 bedrijven die verantwoordelijk zijn voor 70 % van de uitstoot om iets te veranderen. Als ik een elektrische bestelwagen had kunnen lenen, zou ik dat meteen gedaan hebben. Je kan nee zeggen door je keuzes, en ik zeg heel vaak nee, maar je blijft natuurlijk in het systeem zitten.
Er zijn mensen die daarop reageren door zich terug te trekken op het platteland ergens in Frankrijk of Spanje.
Ik wil in de samenleving blijven en daar dingen doen. Al verlang ik er elke dag wel eens naar om weg te gaan. Ik vind het hier vaak lelijk. Het probleem is dat onze natuur zo verarmd is, zo afgegrensd, ze ligt bij wijze van spreken op intensieve zorgen. Dat is wat mijn vogelmaatje Ben Koks ‘ecologenpijn’ noemt. Ik ben geen ecoloog, maar ecologen zien de hele tijd wat er niet is en wat er zou moeten zijn. Je loopt door een maïsveld en dat is dan de plek waar wij moeten wandelen. Vreselijk! Ik verlang heel erg naar de overweldigende natuur, maar tegelijkertijd wil ik nog niet de grote stap er naartoe zetten.
Heb je al een volgend project in gedachten?
Ja, mijn volgende boek zal over de sanseveria gaan. Een zogenaamd oer-Vlaamse plant, maar eigenlijk is hij afkomstig uit Congo en is het een geval van koloniale roof. De plant is naar hier gebracht en we weten ook door wie. In feite is hij geroofd, het was een heilige plant voor een bepaalde gemeenschap in Congo. Er werden draden van gemaakt, kleding, niemand kent dat verhaal. Voor mij zit er iets dubbels in. Enerzijds is er de heisa over exoten, en dat die hier niet mogen zijn. Anderzijds hebben we wel een exoot geadopteerd en hem tot oer-Vlaamse plant uitgeroepen. Ten derde gaat het over koloniale roof. Bij dat begrip denken we op de eerste plaats aan ertsen en aan kunst, maar er is ook veel koloniale roof te vinden in onze natuurhistorische musea.
Een project waarvoor je naar Congo moet?
Nee, ik ga niet naar Congo.
Misschien gaat er wel een boot heen.
Oh ja, dat zou ik wel graag doen. Vliegen kan ik echt niet meer. Ik heb tien jaar geleden voor het laatst gevlogen voor ‘Het klein verzet’ en vorig jaar vroeg ik me af of ik niet naar de klimaattop in Belèm moest, maar ik heb besloten om het niet te doen.
Mijn allergrootste droom, en daar ga je echt om lachen, is om er te voet heen te gaan, of te fietsen. Dat lijkt me geweldig, want zo deden we het vroeger, zo werd er gereisd, met de middelen die er waren en aan de snelheid die mogelijk was. Ik kan daar soms naar verlangen, om te vertrekken thuis en te wandelen en te zien waar ik geraak, gewoon op twee benen.
Je kan dit artikel gratis lezen. We bieden jou de inhoud graag aan en willen ook in de toekomst geen betaalmuren invoeren. Je kan ons helpen verder schrijven door een eenmalige of herhaalde gift via Petje Af. Alle beetjes helpen, dankjewel!


