Re-skilling: met vallen en opstaan

In de - bewust breed geschreven - missie van Villa VanZelf namen we naast een reeks andere thema's ook 'herwaarderen van ambachten en re-skilling' op. We kunnen ons vinden in het idee van 'The Great Reskilling' van Rob Hopkins, bezieler van de transitiebeweging. Hij ziet re-skilling als ‘opnieuw de vaardigheden aanleren die onze grootouders vanzelfsprekend vonden, zoals eenvoudige structuren bouwen, kleding herstellen en maken, geneesmiddelen maken, voedsel verzamelen, kweken, inmaken en bewaren.’

De motieven om te re-skillen hebben niet noodzakelijk te maken met weerstand tegen technologie of nostalgische motieven zoals ‘vroeger was alles zo veel beter’. Wel met de eerder realistische visie dat onze toenemende afhankelijkheid van elektrisch aangedreven werktuigen ons bijzonder kwetsbaar maakt in een wereld waarin plotse schokken van allerlei aard eerder regel dan uitzondering worden en waarin onze apparaten ons door eerder perverse mechanismen als ‘geplande veroudering’ vaak veel sneller dan ons lief is in de steek laten. Re-skilling heeft dus ook te maken met het verlangen om minder te consumeren. Wat je zelf kan maken of herstellen hoef je niet te kopen of te vervangen. Ook De Transformisten (voorheen Netwerk Bewust Verbruiken) ziet de makersbeweging groeien. 

Re-skilling, of weer een echt ambacht  gaan leren: het klinkt romantisch. Je ziet jezelf al noest aan het werk met nobele materialen en eerlijk gereedschap. In je dagdromen heb je het met enige inspanning in een redelijke tijd onder de knie en maak je iets moois én nuttigs, met je blote handen. Wat je vergeet: een ambacht leren vergt een combinatie van heel wat tijd, engelengeduld met jezelf, doorzettingsvermogen en confrontatie met mislukkingen. Onze voorouders voor wie de betreffende manuele vaardigheid vanzelf sprak, startten hun leerproces meestal vanaf heel jonge leeftijd en bereikten door eindeloze oefening een hoog niveau. De vraag is natuurlijk: kan je niet volstaan met een ‘voldoende hoog niveau’? Net genoeg om een aanvaardbaar product te  kunnen afleveren? Laten we even inzoomen op een concreet leerproces: Marc leert intussen al enkele jaren mandenvlechten.

Om te beginnen: waarom?

Marc: ‘Naast de eerder genoemde aspecten van re-skilling is er voor mij nog een heel belangrijke kant aan, namelijk het  gevoel van eigenwaarde die het geeft. Met je handen kunnen werken geeft een bijzonder soort voldoening. Wat mij specifiek aan manden vlechten zo bevalt: wanneer je klaar bent met vlechten is je mand ook echt af. Er komen geen extra handelingen zoals schuren, schilderen, lakken of polijsten aan te pas. Ook het functionele aspect trekt mij aan: ik wil geen siermandjes maken die alleen maar ergens als blikvanger staan, wel manden die effectief dienst doen in een huis om dingen in te stoppen of te vervoeren.’

Welke obstakels kom je tegen in je leerproces?

Marc: ‘Behalve de wilgentenen heb je heel weinig nodig om een mand te vlechten, maar kwekers zijn dun gezaaid. Ik moet er een grote afstand voor afleggen. Ik kwam op het idee om zelf een wilgenveldje aan te leggen, maar daar komt heel wat bij kijken: om te beginnen moet je aan grond raken.  Ik had het geluk om een lapje landbouwgrond van een bevriende bioboer te mogen gebruiken. Pootgoed vinden is niet zo moeilijk, maar het duurt een jaar of 3 voor je echt productie hebt en in die tijd kan een hazenpopulatie je veldje al een paar keer half kaalgevreten hebben.  Toch heb ik goeie hoop: ik heb allerlei soorten aangeplant en tot nu toe overleeft mijn kwekerijtje. Het  is gewoon geduld oefenen en onderhouden. 

Een ander obstakel is voor mij discipline en regelmaat. Tijdens een cursusweek heb ik geen enkele moeite om de focus 100 % op het vlechten te houden, maar in mijn thuis-ateliertje vind ik dat een pak moeilijker. Meestal vechten er in mijn hoofd allerlei huis- en tuinklussen  of  dingen die te maken hebben met Villa VanZelf om aandacht. Re-skilling vergt dus ook mentale vereenvoudiging. Onze voorouders waren alleen mandenvlechter, of wielenmaker of naaister, terwijl wij goochelen met een hele hoop rollen en opnieuw moeten leren om op sommige momenten voluit voor één rol, de rol van maker, te gaan, terwijl we de andere tijdelijk parkeren. Voor mij is dat een gigantische uitdaging. Soms denk ik dat het me alleen buitenshuis lukt, wanneer ik alle andere to-do’s kan uitschakelen. Dat is dus echt een work in progress. 

Hoe ga je om met de onvermijdelijke vraag: en ga je nu ook cursussen mandenvlechten geven?

Marc:De vraag duikt inderdaad spontaan op. Het lijkt een evidentie om zo’n vaardigheid die je aanleert op je beurt door te geven, nog extra als mensen je al als cursusgever kennen. Ik ben er niet uit. Ik kan best al wel een mand maken die er behoorlijk uitziet, maar heb anderzijds schroom om mezelf zomaar de deskundigheid aan te meten om het anderen aan te leren. Ook respect voor de superieure skills van mijn mandenvlecht-mentoren houdt mij met de voeten op de grond en doet mij beseffen dat ik nog middenin mijn leertraject zit. Ik vind het wel bijzonder om mijn oefenstukken te kunnen weggeven en te merken dat een zelfgemaakte mand meestal een heel welkom en geapprecieerd cadeau is.

Kleine hulde aan de mentoren: Marc zette de eerste stappen in het mandenvlechten bij Lydia Bamps (mandenmakerij Cattelant) en volgt op dit moment een vlechttraject bij Jeanny Bouwen (mandenmakerij De Ratelaar). 

(Notitie bij foto 3: de manden op de achtergrond zijn gemaakt door Lydia Bamps.)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.