Ik ben fan van coniferen, het is een liefde die ik opdeed tijdens mijn boswachterscarrière in het Kapucijnenbos en Arboretum van Tervuren. Erg populair zijn ze niet bij de doorsnee Belg, misschien komt dat door de typische, beetje saaie hagen uit de jaren ‘70, of door de gevaarlijk uitziende apenverdrietbomen in voortuinen van dezelfde periode. In Wallonië kennen ze de conifeer vooral als leverancier van timmer- en brandhout. Ook in voedselboskringen worden ze doorgaans met weinig liefde onthaald. Toch leveren ze waardevol materiaal op dat niet misstaat in het dagelijks menu. In dit artikel ga ik wat dieper in op coniferen waar je thee van kan maken. Lekkere, aromatische thee voor elk seizoen.
Natuurlijk moet je eerst door de vele tinten groen heenkijken en de verschillende coniferensoorten leren kennen. Met onze naaldbomenwandeling op 13 september in het arboretum van Tervuren kom je een heel eind! (Inschrijven kan je met deze link!)
Families*
De belangrijkste familie als het om thee gaat is de dennenfamilie, daarin zit niet enkel de den, maar ook spar, zilverspar, douglasspar, hemlockspar, lork en ceder. Er zitten nog meer soorten in, maar die kom je nauwelijks tegen. Als je nog weinig kent van coniferen zijn de Nederlandse namen verwarrend, je komt het woord spar verschillende keren tegen, maar het gaat echt om verschillende soorten met elk opvallend andere kenmerken. Ik gebruik liever de wetenschappelijke naam, dat geeft in dezelfde volgorde als hierboven pinus (dat is de den), en picea, abies, pseudotsuga, tsuga, larix en cedrus. Van al de soorten uit de dennenfamilie kan je thee maken van de naalden. Veruit de lekkerste zijn pseudotsuga en abies, die geven behalve een aangename harsige smaak ook een citrusachtig aroma. Vooral de pseudotsuga was voor mij altijd een topper. Tot ik weer nieuwe conifeersoorten uitprobeerde, nu heb ik een andere favoriet. Maar daarvoor moeten we naar een andere coniferenfamilie gaan, de cipresfamilie.
Arborvitae
In die familie vinden we de westerse en oosterse levensboom, Tsuga plicata en Tsuga occidentalis, in de VS onder andere Western red cedar en Eastern white cedar genoemd, beide zijn ook bekend onder de naam arborvitae. Beide soorten worden courant gebruikt als haag, je hebt er zeker al eens kennis mee gemaakt, in je eigen tuin, bij buren of je oom of tante, of je ouders. Het geslacht thuja is best nog
makkelijk te herkennen aan de hand van de kegels, maar het verschil tussen de twee is voor het ongeoefende oog niet te zien. Hoewel sommige websites de westerse levensboom beschrijven als bruikbaar om thee van te maken, is het vooral de oosterse die het meest gebruikt wordt, en die staat bij mij nu op nummer één. De makkelijkste manier om je niet te vergissen met die thuja’s, is er een of enkele exemplaren van aan te kopen bij een boomkweker. Dat is wat ik deed, ik zette 2 exemplaren in onze haag tussen de liguster en de haagbeuk, daarmee hebben we een permanent, vers voorraadje op armlengte.
Ook nog in de cipressenfamilie vind je de jeneverbes en de moerascipres. De jeneverbes ken je natuurlijk, daarvan gebruik je de bessen in plaats van de naalden. Van de moerascipres dan weer wel de naalden. Moerascipres zal misschien een belletje doen rinkelen als ik erbij zeg dat deze soort van die rare knobbels aanmaakt aan de stamvoet, ze lijken een beetje op omhoogstekende ellebogen. Zelf gebruik ik jeneverbes veel liever in onze zuurkool, en moerascipres heeft van smaak niet echt iets dat er bovenuit steekt.
Thee maken
Hoe maak ik nu die thee? Heel simpel: water even aan de kook brengen, naalden erin en een goeie 10 minuten laten trekken. Verse thuja is behoorlijk straf en laat je best minder lang trekken. Van thuja oogst je de verse topjes aan de uiteinden van de takken, van de douglas en andere leden van de dennenfamilie kan je zowel de verse toppen oogsten als de oudere, nog groene naalden. Zelf geef ik voorkeur aan de één-jaaroude naalden, die geven naar mijn smaak een rijper en complexer aroma. Wat bereidingswijze betreft is er nog veel ruimte voor experiment: je kan proberen de naalden wat te laten meekoken, je kan er een extract van maken of de etherische olie eruit distilleren. Ik hou het graag simpel en ben tevreden met een simpel kopje thee ‘op moeders wijze’.
Je kan nog heel wat andere dingen doen met coniferen. Waar ik zelf meer ervaring mee wil opdoen is het opvangen van stuifmeel, kegels opleggen in suiker, verwerken van bessen, het gebruik van pitten als specerij. Als dat goed lukt komt er een volgend artikel van…
Zondag 13 september van 9u30 tot 12u30 geef ik je graag een inleiding in het herkennen van courante coniferen in het Arboretum van Tervuren, met aansluitend een theeproeverij van de verschillende soorten, zo kan je je eigen favoriet uitkiezen! Inschrijven kan met deze link
*Familie, geslacht en soort zijn verschillende niveaus van detail in de identiteit van planten. In een familie komen verschillende geslachten voor, en elk geslacht heeft verschillende soorten. Voorbeeldje is de dennenfamilie, de pinaceae, daarin zitten onder andere de geslachten pinus, picea, cedrus, larix. In het geslacht pinus vind je de verschillende dennensoorten, bijvoorbeeld de corsicaanse den, de grove den, de zwarte enzovoort. De familie is vaak genoemd naar één van de leden ervan, in de dennenfamilie zit dus niet enkel de den!
Je kan dit artikel gratis lezen. We bieden jou de inhoud graag aan en willen ook in de toekomst geen betaalmuren invoeren. Je kan ons helpen verder schrijven door een eenmalige of herhaalde gift via Petje Af. Alle beetjes helpen, dankjewel!


19 juni 2026 at 11:52
Bedankt om deze wat onbekende wereld open te trekken. Heb je ook wel eens iets met de hars gedaan?